336°
— De Heer der Hebreeuwers straft ons!... Hij is donder en weerlicht..
— Wee... wee ... hij breekt de kracht onzer suizende speren en splijt onze beukelaars!...
— Hij vernielt onze zwaarden en pijlen...
— De Daniet slacht ons allen...
— Hoort... hoort... hij schreit.
— Neen... hij zingt!
— Vlucht!... Vlucht!...
— Hij is onoverwinnelijk door de hulp der dae-monen!...
— Wee ... wee ons!... Dat is meer dan menschenmacht!
Noodgeklank van bazuinen, doffe donders en echo's van trommen bleven rommelen en galmden als verwilderd krijgsrumoer over de bergen, en het zware geratel der onstuimig-wendende, ijzeren wagenen op de enge vlakten, onweerde tusschen de steile, echo-kaatsende rotswanden.
Simson, de onwankelbare, midlerwijl had onder de wegstormende en zinneloos-dooreenweemlende vijandelijke troepen naar iets gezocht waarmee hij kon treffen, om de in waanzinschrik tegen hem in-woelenden nog sneller neer te slaan en te vermorzelen. Vlak in zijn nabijheid, in een kraterige kloof, zag hij een ontzachlijk, scherpgetand ezelskinnebakken uitsteken. De Daniet greep toe, over het ingetrapte bloedhoofd van een reutelende, en zonder verdere bedachtheid zwaaide hij ermee als in een wervel