334°
en het smachtende verhaal van Rapha... heilige liefde voor Zelalphonith, die zijn leven had opgebouwd. Weer noemde hij, inslurpend den adem van haat, met schimpdrift Simson's moeder, Zelalpho-nith's naam.
Toen brak er een vreemd geween, een angstgesclirei uit Naziraeër's binnenste los. Met halfgesloten oogen murmelde hij een gebed. Duizelend overviel hem een goddelijke bezieling en een matelooze toestrooming van kracht zwol door al zijn spieren en zenuwen aan. Onder spot-speelsche gebaren verbrak hij plotseling zijn van bloed besmeurde striemboeien en met één bovenmenschelijk-machtigen armenzwaai slingerde hij den schenner van Simson's moedernaam, hoog de lucht door.
De bevelvoerder wrong gillend een pijnlijken noodkreet uit en tuimelde als een blinkende pantcier-massa den duizeldiepen afgrond in.
Toen de Philistijnen in huiverende ontzetting bemerkten dat hun trotsch-koene opperbevelhebber met één zwaai van Simson's reuzensterken arm, aan Zulk een verachtelijken werpdood was prijsgegeven, — éven als een veer door de ruimte verwaaid en toén in de duizelende rotsdiepte neergestort, — begon al dadelijk een dolzinnige verwarring en krijtende verbijstering de gelederen te overrompelen. Vele bijge-loovige soldeniers, eerst achteloos steunend op hun schilden, wierpen schreeuwend hun bijlen, bogen en pijlenkokers weg en renden, afzichtelijk gebeten van