33°
— Hond!... Vervloekte Hebreeuwer!... Ik zal straks in je darmen woelen en in je heet bloed als het boos gewormte in vruchten!... Ik haat je schrikkelijke tronie... je pekgeur... je loeiende, je donderende stem!... Wij vertrappen Danieten en Judaeërs onder onze voeten!... Hoor het daveren onzer strijdkarren, in de vlakte!... Maar hier ... liier op Ramath-Lechi, zal jij en je gebroed voor de Philistijnsche legermacht knielen ... vóór het front mijner manschappen!...
Een donkere blosgolf overkleurde bevelhebber's toornig gelaat en de krijgers lieten ijzingwekkend aanvals-geschreeuw opklinken. Met een geweldigen ruk greep Maacha Simson's boeiselen vast, zoodat er ׳opgeklonterd bloed uit Naziraeër's polsen sprong. Doch Simson bleef onwankelbaar als een zuil... Maacha ontstelde. Met hevige krachtsinspanning had hij zich op Simson geworpen, doch de Hebreeuwsche reus bleef wrikkeloos staan, als rotsgraniet den grond ingeplant. Toen sprak Simson met vlijmenden spot:
— Nietige jakhals . .. wilt gij mij treffen met uw •slappe handen en uw stengelige armen? ... Eer zal ik u allen vernietigen en uitroeien ... vóór gij een Godsman zoo in uw wraaklust vernedert!...
Ziedend, half verplet van benauwenis en schaamte, tegelijk razend van opwinding, zocht Maacha weer naar een hevig krenkingswoord, om Simson te striemen. En hij herinnerde zich vliegensvlug, waardoor de Hebreeuwer uit zijn stom zwijgen was losgebroken
Simson. 22