332°
men een brok van je donkere lichaam!... In twaalf stukken zult gij gescheurd worden door onze sterkste paarden ... Hoort nu naar hun lijkzangen!...
Onder de manschappen bleef de ontzetting voor Simson's oprijzen. Met geheimzinnigen dreigklank riep de Naziraeër terug naar Maacha:
— Uw stem klinkt als de roep van een pauw... hoogmoedig, maar angstig en schril, tusschen het wapengekletter uwer krijgers... Gij doet, alsof gij de bliksemflitsen beveelt en de zee in beroering kunt brengen en de wolken een koers door de lucht aanwijzen ... Maar Philistijn, gij beseft de kracht van onzen eeuwigen Almachtige niet. Jehovah is mij zeer nabij!... Raak mij weer eens aan, zoo gij durft, of een van uw woeste en gewapende helden met de glanzende oorringen ... Achaba, de Hethiet, of Ab-naï... of Hinom ... Ontknel mij liever uit mijn boeien, heet-stralende roover van Israël's goed!... Komt gij niet aanrennen, duizend tegen één, op uw hinnikende paarden, uw brullende kameelen? ... Maar mijn handen van de kabels bevrijden durft gij niet!...
Toen, vaal van drift het gelaat en met bevende lippen, richtte Maacha zich op en verstiet in zijn wezen bijgeloovige angsten voor den Hebreeuwer. Onstuimig sprong hij van zijn paard en ging tartend nu vóór Simson staan. Brandend en gesmoord reutelde zijn adem en hij kreet in dolle uitgelatenheid, bijna op Naziraeër's mond: