342°
Simson's brullende woedestem en het schrikaanjagend oprijzen uit zijn ingezonkenheid. Ook naijverig-jaloersche Maacha wist zich schaamtelijk overmand van ontsteltenis. Hij wilde dolkoppig terug naar Simson, doch hij bleef op zijn paard, door vreemden angst gekluisterd.
Op een afstand, nabij de herauten, in minachtelijken overmoed schold hij den Hebreeuwer toe. En weer herhaalde Maacha, met toorntranen de oogen ingebrand, razend:
— Hond!.. . Verachtelijk wezen!...
Simson lachte nu hoonend terug.
— Gij beschimpt mij, sterkarmige hoofdman ... omdat gij nog steeds mijn geboeide machteloosheid ziet... Daarom is uw toorn zoo heldhaftig en uw opgewondenheid zoo verraderlijk... Ik hoor uw vernielzuchtig leger voor, om en achter mij razen als een stormige zee ... Doch wee u allen,... zoo Jehovah mij in Zijn bescherming neemt en in Zijn hart sluit!.. . Wee u, zoo ik mij, verdelger, aan mijn boeien ontwring!. .. Dan rafelt gij uiteen als avondwolken onder een plotsen wervelwind ... Er zijn booze voorteekenen .. .
Maacha gierde weer blind:
— Bluffer ... uitmoorder... dreiger,... gij hebt velen onzer kermend den dood ingejaagd en neerge-houwen ... Gij hebt onze korenvelden en wijngaarden in brand gestoken... Luister Hebreeuwer ... wij zullen ons wreken!... Wij sturen ieder van Israel's stam-