341°
het van verre toeluisterend krijgsvolk aan, en zelfs onstuimige Maacha was met-paard-en-al van schrik naar zijn troepen teruggeweken. Want de almachtige stem van Simson had als orkanisch golvengeraas geklonken. Een bijgeloovige vrees voor den beheksten Hebreeuwschen reus en ontwortelaar, deed welhaast al de manschappen rillen en huiveren. Zouden nu ook zijn spookvogelen komen aanruischen van het zwerk? ... Het zien van zulke ongelooflijke duivelen-kracht bracht klem en benauwing, ook onder de onverschrokkenste knotszwaaiers.
Door Rapha's vrouw-zachte oogen straalde een lichtende jubel, als dauw verdampend in vuur. Zoo hoonend-hoog als hij Simson's zwaar-ademend zwijgen had gevonden, zoo ontroerend-blij was hij nu, om Simson's geeselenden uitval en zijn drift-woesten blik. Zou deze gehoonde mensch met zijn geweldige daden, den reinen naam zijner moeder door een brallenden zwaardvechter laten schenden?
III
Over Ramath-Lechi spreidde zich plots een brandend-witte gloed, als het geschitter van gouden messen; louter zonnevuur. Engel Gazardia bewaakte het Oosten. De morrende manschappen vreesden straf van Simson's heelal-overheerschenden Jehovah, die uit alle kanten van den hemel op ze aan zou bliksemen. Zij voelden een verlammende vrees alleen reeds bij