329°
roover, aan den navel zijner moeder ontwrongen ...
Plots ging een bezielende siddering door Simson's armen en handen. lederen laffen en gruwzamen smaad, naar hemzelf geworpen, verdroeg hij deemoedig van al zijn martelzieke vijanden, maar zijn moeder's naam bleef den Naziraeër heilig. Hij kon niet gedoogen, dat deze onbesnedenen, deze troebele afgodendienaars, haar reinen naam bezoedelden met hun onheimelijke lastertongen.
Maacha zag Simson's gelaat in één oogenblik huiveringwekkend veranderen en in gram verbleeken. Nu voor het eerst, was Hebreeuwer's zwijgkracht gebroken. Met ontzettenden en uitdagenden trots hief Simson het leeuwenwoest lokkenhoofd en richtte hij zich geheel óp uit zijn diep-droomrige en smartelijke ingezonkenheid. De zwaar-omsnoerde, geweldige handen beefden hevig. Even beet Simson wreed-wild, maar vruchteloos in zijn polstouwen, en toén schrikaanjagend sprak de Naziraeër:
— Ellendige zwervers, geraasmakende dieven van de westkust... die je hier tot een weemlend leger verzamelt onder trompettengeklank, om één enkel man te folteren en hem met het snorrend trillen van boogpezen of het zwaaien der scherpe strijdbijlen te verschrikken ... Laffe neerhurkers voor stomme beelden, die gesneuvelden en verminkten nog de handen afhouwt, tusschen het gebriesch en geblaas ״uwer dampende rossen ...
Ontzetting greep de voorhoede-Philistijnen en heel