328°
— We zullen je ontvleezen tot een geraamte,... we zullen je donkere lokken krullen!...
— De kaalkoppige aasgieren zullen je kluiven, He-breeuwer!...
Aan Simson's opgedraaide oogappels ontschoot even een wilde vlam. Toen zonk het zwijgende hoofd weer op de hijgende borst, alsof alle krachtsbewustzijn in hem gebluscht was na één stuiptrekkend gebaar.
Maacha's geduld bezweek. Hij rukte verbijsterd zich den steilen Hethietischen, goudgloeienden punt-helm van het hoofd en zijn toornstem brulde als in hevige pijn. Toen trapte hij den Naziraeër verachtelijk tegen de naakte schenen en in al stikkender toorn gilde hij rauw, telkens een woest, geveinsd lachgeluid er tus-schen uitstootend:
— Bij Dagon ... genoeg!... Hihi... hond ... kreupele hond... ik wil je bloed zien schuimen!... Neen... geen lansstoot in je weeken buik... ik heb geduld!... Rapha, Godolam, legerhoofden ... strijd-begeerige aanvoerders onzer troepen... en gij, opperste boogschutters, laat de bazuinen loeien!,.. Wij zullen den machtig-armige, den tuchtiger uit Dan zélf tuchtigen ... hihi!... Hier Abnaï... sla den held uit Zoreah... striem hem in zijn gehate bakkes ... Ook gij, Hinom... wreek je aan zijn wulpsch vleesch!... Rapha vertelde dat hij had, als knaap, den lichtvoetigen gang van een hert!... Zie nu uitzakken zijn zware pens ... hihi!... Deze