327°
Opnieuw barstte Maacha los:
— Zwijgende, kreupele hond ... hond!... Roep je Wereldrichter aan ... eisch een goddelijk Oordeel!..
Even ging een trilling door Simson's geboeide handen en lijkblauwig-opgezwollen armen.
Hoofdman's speerschacht zwaaide ijlings en van alle kanten onder de nu opgewonden-dreigende krijgers, brak een knettering van stemmen door het luchtruim open.
— Breng slavenwijn ... speerslingeraars!
— Uit het Aegypteland ...
— Werp hem onder de paarden en waagnen...
— In de vlammen!
■— Hehoo ... Kaleb Twee ... onheil!... Schiet hem een gevederde pijl het keelgat in!...
— Zie Achis... hij lacht naar het Oosten... vernederde hoogmoed ... de ongeschorene!
— Hij wil met ons uit één schotel eten!...
— Ontroof hem de beeksteenen... hij draagt op zijn bast de tooversteenen... geteekend met het hartebloed van Philistijnen ...
— Wij stammen van Casluchim ...
— Zwijg.. . ontroof hem de amuletten op zijn naakte borst... Ontruk hem zijn snoer van granaatappeltjes ... Koel je gal met het knotsmes!
— Stoot hem naar dit rotsuitsteeksel!
— De afgronden achter je, Hebreeuwer, zullen je vreten... vuurgolven zullen je verslinden... man van Dan!...