337°
ja. Nimmer had Rapha zulk een roerend-zwaarmoe-dige en stil-weenende droefheid in menschenoogen zien ronddolen; nimmer zoo een zelfvergetene overgave aan het smartelijke lot, beleefd. Zij zouden hem slachten, dit lam, en de Hebreeuwer stond amaechtig, half-bezweken onder de vreeselijke gekneveldheid van handen en armen, en het reuzige lijf verwrongen, ineengekrompen, het hoofd naamloos-ellendig op de borst gezakt. Alleen nog juichte het in koortsig-hartstochtelijken Rapha, omdat de geweldige Daniet, zoo smadelijk verschrompeld, nu bleef zwijgen. Want zulk alles-verkroppend zwijgen wierd één machtige verachting, krenkender dan terugsmalende woede.
II
Maacha ontstak weer in smartelijken toorn, toen hij ervoer dat de Hebreeuwer de lippen minachtelijk saamperste. De felle Philistijn zinde op striemende wraakwoorden, op bloedende beleedigingen, die Sim-son de ziel moesten inkerven. De hoofdman uit Jamniël kreet wild en afzichtelijk van drift:
— Hond... stinkende hond van een Hebreeuwer! ... Op het gebergte hier, zal ik je vonnissen .., zal ik je nü zwijgende tong uitsnijden!...
Maacha, van opwinding stikte bijna. Zijn hijgende adem stokte en op zijn mond spatte speekselschuim.
Simson, verloren in droomrige gedachten, bleef roereloos, zonder verweer en zonder oogen-krimpingen.