321°
geweest. Want soldeniers, strijdhamer-zwaaiers, speerwerpers en ruiterij, dacht Maacha, stonden opgesteld om hem bij aanval, genadeloos den afgrond in te storten.
Een geweldige haatdrift om Simson te naderen achter den hoofdman, hoorde Maacha in de loeiende geluiden, half gesmoord, en in de gierende schendvloe-ken zijner wriemelende manschappen tegen den Daniet. Uit eigen aandrang nti herhaalden de krijgers van gelid tot gelid hun eed, dien Maacha hen pas had laten uitgalmen, door saamdreunenden stemmenval onderwoeld:
— Bij Dagon en bij de heilige oorlogsstandaarden zweren wij eeuwigen, eeuwigen haat aan Simson, den Hebreeuwer!...
Zwaar gonsden eedslagen op blinkende schilden. Toen, uit duizelende gemoeds-verwarring weer tot nuchtere bezinning ontwaakt, reed Maacha achteruit, tot de voorste troepen. Donderend beval hij Rapha, de manschappen te verschikken en aan weerskanten van Simson bij drommen op te stellen, zoodat de Daniet geheel ingesloten wierd van zwaargewa-penden.
Wreed-norsch klonk Maacha's stem stentorisch onder de helle zonnelucht:
— Komt nader oversten en aanvoerders, maar koelt uw wrok aan Simson niet, aleer ik het u toesta!... Het lichte voetvolk schare zich in gelederen langs de hellingen ... de knotszwaaiers tusschen hen ... Wij