320°
het lokkenhoofd naamloos-droef op de leeuw-breede borst gezonken. De Naziraeër voorvoelde beklemd, den smaad die zijn aartsvijanden in zijn machteloosheid over hem brengen zouden.
Maacha ontstak in een afschrikwekkende, loeiende woede. Het uittartend en krenkend juichen van de oorlogzuchtige, zinneloos-wraakgierige legerbenden en het zwijgen van Simson, den Hebreeuwer, prikkelde den heirvoerder tot dolheid. Toch besefte hij dat Simson, zóó lafhartig door eigen volk van Judaea overgeleverd, als een gebonden hond wien het ver-knelde gedarmte nasleepte, geen overwonnene van Philistijnsche krijgshaftigheid mocht heeten.
Doch andersom ook, maakte het starre zwijgen van Simson, dat meer lotsbeschikking dan onderworpenheid geleek, Maacha al wilder van verachting tegen den donkeren Hebreeuwer, die zoo onverhoeds zijn vechtinstincten beheerschte.
Maacha overzag op de kam-hoogte, heel de bergenen ravijnen-streek en de rotsterrassen van Ramath-Lechi, de legerplaats, overzwermd door de slagorde-nen en de schikking zijner gelederen.
Simson stond naar een hellingen-rand gedrongen, waaronder duizeldiepe afgronden gaapten. Beneden en óm hem klonken trompet-signalen schel en beangstigend, van bestegen strijdwagenen. Zelfs indien Simson's handen ongeboeid waren gebleven, zou de gedrochtelijke kracht-reus nog niet te vreezen zijn