319°
wilde weemling der Philistijnsche troepen, naar schreeuwende knotszwaaiers, dreigende slingeraars en rumoerige boogschutters uit de achterhoede.
De Nephiliem-achtige opperbevelhebber uit Jam-niël te paard, met zijn ontzachlijk-flikkerende speer, gevolgd door zijn trampelende ruiters, reed als in een verwoestenden stormpas schuin op Simson af. Bliksemgloeden van schilden, helmen en blinkende werpschichten brandden rij na rij achter hem aan. Maacha keek het eerst naar Rapha om, die vlak langs hem draafde en naar Godolam's zwaanwitten, wieglenden vizier-veerbos.Rapha,de aanvoerderoverduizend, scheen door een wilde duizeling gegrepen bij het zien van den jammerlijk-ingezonken Daniet. Ook Maacha sidderde, en een bijgeloovige, hartbeklemmende ontroering doorjoeg hem, nu hij voor het eerst, zoo dichtbij, den geteisterden man Gods hoorde ademen; zoo nabij dien schrikkelijken Hebreeuwer de oogen instaarde.
Na het opgewonden schimpgejuich der Philistijnen, groeide een bange stilte als om een volklinkend snaartuig dat plots breekt. Simson stond al hulpeloozer, de armen en handen saamgesnoerd op het geweldige, zweet-uitwasemende, donkere lijf. Blauwachtige spierzwellingen overknobbelden de gestriemde polsen. Een wilde pijn trilde om Simson's kramp-mond. Zoo offerde hij zich voor de Judaeërs, opdat deze geen wreede mishandeling te verduren kregen van hun overheerschers. Zwijgen bleef hij maar en staren,