ZESTIENDE HOOFDSTUK.
I
Geboeide Simson, het hoofd amaechtig op de heet-hijgende borst en tusschen de ontzachlijke schouderen gezonken, als in honderdjarig gebed, stond diep verkommerd en ineengestrompeld vóór de saam-dringende slagordenen van Maacha, op de krijtlichte, zonnegloeiende hoogte van het Ramath-Lechi-ge-bergt'.
In een razende vreugde overjuichten de Philistijn-sche krijgers van de kampplaats af, den wreed-geknevelden en geschonden reus, zwaaiend met hun flikrende spietsen en kromme zwaarden.
Zwartachtig zweet gutste van Simson's gitglanzige, uiteengewaaide haren en zijn gehavend-scharlaken mantelrok fladderde slap om zijn bijna naakte reusgestalte. Achter hem, als een vreesachtig-verwarde horde, drongen de sluiksche Judaeërs bijeen tusschen rotsblokken en gebaarden scherp-listig, in schrik en heftige bewogenheid, met staf en wapen naar het goudlichtend schubbenpantcier van Maacha en naar