3i7
hand;n der oppassers en in een wervelende stofhoos renden zij woest en ongetemd de steile kronkelpaden op naar de hoogte, naar denkrijtlichtengebergtenkam van Ramath-Lechi, waar de gehelmde wachters stonden, de signaalzangers en vendeldragers, die opgewonden wezen in de verte naar de Judaeërs. Allen tezamen, op de trappelende en hinnikende paarden gezeten, drongen tot aan den steilen rand van hellingen, rotsgele en duizeldiepe afgronden en Maacha in zijn koperen schubbenpantcier voorop, leek een zonnegod die zijn geweldige speer majesteitelijk uitzwaaide. Van den zuidkant af zagen zij, al dichter, al dichter, ongeordend, de slecht-gewapende Judaeërs, enkele troepen op kemelen naderen en aan hun front, voorop, strompelde over rotskei en zand, een donkere, halfnaakte reus in gescheurd-rooden rok, de armen en handen zwaar geboeid en ingesnoerd, met zijn jammerlijk hoofd naar de aarde toegebukt.
Maacha voelde een schok van vreugde en angst en Hapha verbleekte. De doods-dreigende stormpassignalen klonken schril.
Simson, gebonden, vernederd en al van verre beschimpt, naderde.
21
vSirason.