315°
— Wij zweren, Maacha!...
Over Maacha's wreed-schoon gezicht rilde een huivering, toen hij in een soort van godsdienstige bedwelming eischte:
— Zweert bij Dagon!...
— Bij Dagon zweren wijl...
Uit duizend monden galmde de heiligste eed na.
Plots klonken signaal-trompetten t'allenkant. Van de berghellingen bliezen donker en hel, de wachters en de herauten schetterden de gillende hoorns. Door de gelederen op de hoogten en in de ravijnen, klonk ontzet en jubelend tegelijk, stemgeroep:
— De Judaeërs naderen!...
— Zij naderen, de mannen van Judaea... zij naderen!...
Rapha, uit de eerste gelederen, stormde naar voren, doch wierd door Maacha met de gifspeer dwars over de borst teruggedrongen.
Eén oogenblik leek het toen de krijgers, die op-staarden naar vendelen, afgodsbeelden en standaarden, alsof Simson's reusachtige gestalte op de berghellingen verscheen, in den bloedrooden rok, met de fladderende lokken den wind ingewaaid, tusschen het bliksemen der vijandelijke speren in.
Weer in angstige verrukking, herklonk van al de steile en enge rotspassen:
— Ziet!... Ziet!...
— De Judaeërs naderen,... de krijgstrompetten klinken!...