324°
Maacha hijgde zwaar en zijn gouden armringen flikkerden helsch.
— Mannen ... nimmer nog zag ik Simson, maar ik haat zijn merg en zijn gebeente!... Als hij hier in onze handen valt, rijt ik het rauwe vel van zijn voetzolen ... Ik haat hem!... Ik laat hem langzaam in stukken snijden en ieder onzer troepen werp ik een brok van zijn stinkend Hebreeuwenvleesch toe ... Ik laat zijn lichaam dorschen ... O mannen van Phi-listaea... als de Judaeërs wagen te verschijnen zonder dien tuchtiger... dan slaan wij allen op schenkel en heup kreupel!... Wij willen zien beven dat bovenmenschelijk gedrocht...
Krijgers in woeste vervoering schreeuwden:
— Wij vreezen de Judaeërs niet!...
Maacha richtte zich op met een schok, onder een vuur-schittering van zijn pantcier. De aderen van zijn hals zwollen ...
— Vreezen? ... Wij spuwen hen uit!... Ze zijn als het Jordaan-oeverriet, buigzaam en taai... Als heden de Judaeërs ons niet den levenden Simson gebracht hebben, dan snijden wij hun de tong af... dan moorden wij Judaea uit!... Wij sparen maagd noch kind ... wij roeien alles uit!... Wij snijden hen weg als de cikkel het rijpe graan!...
Een dol-brullend gejuich brak los in razernij van haat-stemmen. Boogschutters en lansdragers kreten dooreen:
— Ja, ja... hier ... vóór de troepen!