312°
niers tot ruiters, van ruiters tot wagenrijders.
Rapha, rank, het gelaat verbleekt, stond roerloos in zijn purperglanzigen wapenrok, beschermd alleen door de macht van Maacha.
Toen Maacha's stem éven het bar geweld over-heerschte vóór het hoofdkwartier, greep de opper-aanvoerder zijn speer en stootte haar trillend de lucht in. Het Gethietische bloed brandde weer in zijn aderen en de sprookverbeelding van het volk vergrootte weer alles voor zijn woeste oogen. Daarop donderde hij, vreeselijk van aanzicht:
— Mannen van Ekron, van Aschdod, van Gaza en Askalon,... ik sta u voor Rapha in. Al de huurlingen die hem bedreigen met beestelijken laster, gaan den dood tegemoet. Rapha uit Thimnath is geen spion ... hij is alleen een dweper en een onervarene. Hij is een koortsig dichter... een dwalend dichter ... hij weet niet wat hij zegt, of ziet alles zooals het niet is ... Maar hij zelf is een dappere en onaan-randbaar ... Dagon, onze Heer, bescherme hem!...
Maacha sprak met angstige, bijna teedere klem. Hij had in zichzelf kort en hevig gestreden, om Rapha op de plaats vanwaar hij zooeven sprak, niet te dooden. Hij geloofde in hem, maar nu wilde Maacha ook niets meer hooren, in vrees voor muiterij. Rapha beval hij, barsch-trotsch:
— Ga achteruit, Rapha ... Neem uw plaats in de gelederen in... Gij het eerst zult mét mij, de Judaeërs of Simson tegemoet treden!