3ii
en spleten, van mannen opgetast tusschen rotssteilten en enge bergmuren.
— Hij liegt, de krijger uit Thimnatha!
— Rapha liegt!
— Zie ... hoor hem!... Een spion is hij, Maacha!
— Een spion is hij... zomerdroogte!... bah!
— Een vriend van gruwelijke Hebreeuwers!
— Jehovah heeft hem betooverd!...
— De onreine duivelen hebben hem besmet...
— Bij den heiligen staart van Dagon... bij Da-gon, — hij brengt ramp en onheil over ons!...
Het rumoer steeg tot een razend geweld. Strijdhamers suisden naar alle kanten de lucht door. Hier viel een boogschutter, daar een zwaardvechter, met eenzwarenslagop de slapen of geveld in den nek met een knotsbijl. Reutelenden en schuimbekkenden gilden rauwe vloeken en de krijgers kreten tegen elkaar in dolle woede.
Maacha, in zijn reuzige lengte, beefde van drift. Zijn stem onweerde over de troepen en hij wees snel met zijn speer oproerige huurling-slachtoffers aan, die vielen, meedoogenloos. Ook het geweld op de hellingen en paden, onder het kortgerokt voetvolk, nabij de afgronden, steeg. Van kronkelende smal-bochtige bergpassen uit, riepen peesnaakte slingeraars, alleen bedekt met scheenplaat en borstkuras, naar beneden, naar de diepte, in de valleien en dalen, bevelen over en weer. Door het weemlend leger donderde een verdwaasd geraas, dat voortgierde van solde