3°9
met het zwaard zien slachten of met de speer doorboren. . Mijn hand met deze werplans zal niet beven, zoo gij mij aanwijst Maacha, tegen hem te strijden ... Maar ik zal zijn eeuwigen heldenmoed blijven vereeren! ... Ik zal zeggen: o Maacha, gij zijt een stout held, maar Simson is een geheel ander soort wezen dan gij en dan wij allen. Uw kracht, o Maacha, hoe ontzachlijk ook, is ménschenkracht... Simson's kracht is goddelijke kracht. Hij kan, algeweldig, de bergen onder Zoreah en Esthaol uit den grond rukken met zijn naakte handen ... Gij lacht om zulke dwaze verhalen ... maar gij moet hem eerst zién!... Gij moet het ervaren, als hij komt... En óók dat het geen duivelenkracht, maar goddelijke kracht in hem is;... dat hij bezield ademt onder ingeving van zijn Jehovah. Hij ontving zijn kracht van zijn Opperheer ... Maacha, gij zijt een groote held en velen uwer, Philistijnen, bewonder ik om uw koenheid en doodsverachting. Maar Simson is geen bezetene, doch een uitverkorene, een ziener onder zijn volk!... Zou ik dezen man ooit verloochenen, hij die in mijn jeugd was voor mij als een broeder, een vader, een beschermer? ... Hij hield van de eenzaamheid, vertelde ik u... maar nooit snoefde hij op zijn ontzach-lijke daden. Hij gekscheerde vaak... en velen begoochelde en misleidde hij met zijn spot en zijn ironie. Maar nimmer verkeerde hij met spoken, duivelen of afgestorvenen ... O Maacha, in ons allen popelt het nu ... Zullen wij Simson levend, in onverbreekbare