308°
stemming uit te lokken kwam. Juist daarom bleef hij Zwijgen in den beginne. Maar nu hij eenmaal gesproken had, wilde Rapha zijn liefde en vereering voor Simson als knaap, niet meer verbergen noch het lasterlijk venijn van de andere krijgers dulden of zonder tegenwoord ongewroken laten.
Rapha's vrouwschoon gelaat brandde in een blos van geestdrift en ontroering. Ook hij richtte zich nu, na rumoer en geschimp van krijgers en huurlingen, in volle lengte op en hief zijn blinkende speer. De domme wraakzucht der manschappen negeerend, sprak hij tot Maacha:
— Groote aanvoerder ... ik heb uw woord ... ik moést spreken en ik zal spreken!... Doch al zoudt gij mij ook vóór uwe oogen en voor de dreigende, troepen in stukken laten houwen, ik kan mijn vriendschap voor den Hebreeuwer niet loochenen! Het zou zijn alsof ik het ingeslurpte zog mijner moeder vloekte...
Rapha ademde zwaar. Met stemverheffing riep hij uit:
— Al wat verteld werd door Godolam, door Abnaï, door Hinom, door Achaba, over den reus Simson en zijn booze bezweringen en zijn offeren aan ijselijke machten, is de dolik van den laster, is domheid;... is sluw bedrog of zelfmisleiding... of angst en lafheid ... Als vijand, zoo Simson verschijnt, zal ik zonder huivering tegen hem vechten. Ik wil, nu hij mijn land verwoest en mijn volk smaadt, hem zelf