3° 7
wagenstrijders sloegen de beukelaars opeen, met een geraas van dreunend metaal en een weerbarst.'g overste Zwaaide zijn vendel, waarop een leeuw grimmig uitgesneden stond, hoogop ...
Abnaï gilde onverhoeds in woesten haat los en liet zijn blauw zwaardlemmet weer bliksems wegslingeren.
Godolam's zwaanwitte veerenbos wapperde dreigend en Asthoreth op zijn helmpiek scheen tartender te dansen. Als een bezetene stootte Godolam zijn koperen lans naar de hoogte.
Ook Hinom, de krijger in het roode ringhemd, begon te brullen van woede en richtte onstuimig den boog op Rapha. Toen hief Maacha zijn gifpuntige speer en donderde:
— Niemand wage Rapha een hand te roeren, voor ik het beveel!.. .
Maar nu ook barsch naar Rapha, beval hij den dichter-krijger:
— Spreek verder!
Een popelende en opwindende oorlogswoede kookte om Rapha heen. Zooals heete naphta zuigt en ziedt onder den stap van menschelijke voeten, zoo brandde haat der Philistijnsche manschappen tegen Simson, die velen hunner broeders, zonen en vaders had verminkt, kreupelgeslagen of gedood.
Rapha voelde de klemmende dreiging in stemmen en gebaren; ook van den opperbevelhebber Maacha, zijn beschermer. Eenmaal uit zijn droom losgescheurd, besefte de koene Philistijn dat hij zelf deze