3°5
Judaea en Philistaea gebeurde, in volkeren-strijd, dat wisten wij vaag, en toch kon niets ons scheiden ... Ik bleef spreken van Dagon en hij van Jehovah, in heilige beving van zijn vrome stem. Tusschen óns geen geschimp op malkanders goden, want het scheen ons alsof wij hetzelfde wezen eerden, onder anderen naam. Zoo groeien en geuren wierook- en balsemstruik onder éénen hemel! Onze knapen-vriendschap bleef een wonder van gehechtheid en offering. Ik beminde Simson meer dan mijn bloedeigen broeders... O mannen... toen haatte Simson de Philistijnen nog niet!... Hij had mij lief en ik hem. Wij waren één, als de papavers, als de narcissen, verstikkend-weelderig van bloei, in de dalen van het lentelijke Saron...
Hoeveel maal redde Simson mij niet het leven, als ik roekeloos en lichtzinnig mij had blootgegeven in het donker ... Gifslangen vermorzelde hij den kop met één slag. Roofdieren bedwong of doodde hij met de naakte vuist... Nooit deinsde hij af... zijn heldenmoed was almachtig en zoo groot, zoo eindeloos als de goedheid van zijn menschenhart...
Zi wreede Maacha,... als Simson een der onzen Zou zijn geweest... een Philistijn,... zie mannen, hoe zouden wij hem om zijn verwoestende vecht-kracht, om zijn goddelijke macht en zijn heldenmoed vergoden!...
Rapha tuurde weer naar de hooge bergen van Ra-math-Lechi, naar de wemelende volte van lanseniers en wagenstrijders, op de effene valleivlakte. Maar hij