304°
kende hij geen haat... Wij speelden in het dal van Sorek, bij klare stroomen, beken en bronnen, onder sycomoren en wilde granaten. In de lente bloeide alles om ons heen tot bloemen in hemelgloed... O, die bedwelmende geuren van de bloeiende aarde en het wisselende licht tusschen bergen en rotsen... Simson liet mij zien hoe geheimzinnig de sneeuw brandend violet blonk en zilverend fonkelde op den Hermontop, terwijl de vruchtbare aarde er onder, praalde in al de glanzen van een zomertij... En hij wees naar de avondluchten bij zonsondergang ... Hij zag erin, Hebreeuwsche heirscharen met vlammende banieren. En ik zag in de roode en blauwe nevelen, Philistijnsche wagenrenners op paarden en stieren van vuur ... Simson hoorde het gezang van Deborah ... ik het lied van Ajalon's zangers, die onze meloenenakkers en onze palmen bezongen ... Wij waren eigenlijk nog allemaal kinderen. Wij sprongen, vochten en klauterden ... Maar hij was een heel wijs kind ... Wij zwommen in de stroomen. Wij speelden roover-aanvallen tusschen rotsblokken en ontzachlijke steenen. Wij vochten achter de duinen met slingers en wierpen ons naakt in de blauwe zee. Wij verpoosden onder schaduw van oleanders en vijgen ...
Simson leerde ons de heerlijkheid kennen van de ravijnen en vlakten van Sephala. In Ramleh en Saron waren wij altijd saam. Wij verscholen ons in de groote eikenbosschen en onder de donkergroene myrthen, die zoo zoet en zoo harsig geurden ... Al wat er tusschen