3°3
als knaap, in het donker, monsterlijke duivelen, verslindende stieren en vuurvretende slangen in men-schengedaanten. Wat is een menschelijk schepsel in duisternis? ... Ik sidderde, als er leeuwengebrul opklonk van het oosten, uit de Jordaanvallei... en als het lachende gejammer van jakhals en hyena begon uit de woestijnen en mij overviel als een nachtelijke schrik. Simson zag mijn onverheimelijkten angst en hij trok mij dichter naar zich toe. Hij praatte geruststellend en schertste zorgeloos, en hij verhaalde grappige gebeurtenissen, om mijn knapen-bangheid te dempen. Voor zichzelf duchtte hij geen gevaar. Alle kwaad uit de ravijnen, nabij Salem, weerde hij voor mij af!...
In het diepe dal van Zoreah bloeiden de amandel-boomen al heel vroeg. Wij waren er tezamen en Simson sprak beklemd. Hij had met alderlei looze streken en guiterijen, zijn moeder Zelalphonith zeer bedroefd ... O, dat schoone, droeve gelaat van den geweldigen jongeling en de oogen die achter een waas van tranen keken,... één schuchtere ontsteltenis, onvergetelijk!... De schaduwende olijfboomen spreidden nieuwe spruitselen en scheuten, en de zon tooverde een gouden hof en een wemelend getal van zonnezuilen in de vallei... In oogsttïj plukte Simson voor zijn makkers van alles. En hij gaf maar, gaf maar. En hij lachte ons toe, onder het schenken. En hijzelf leek een lachende zon die eeuwig licht gaf... Neen, toen