302°
nen.., En ik vertelde hem van onze helden uit de tijden van Abraham en Gerar en Berseba... van onzen strijd tegen Canaanieten uit het Zuidwesten ... van onze gevechten met de Avieten en Enakieten ... en hoe onze krijgers bezield ademden in Mar-na. Ik vertelde hem van Dagon te Gaza, onzen hoogsten hemelgod, en van al zijn wonderen en zijn tempelen in Aschdod, in Askalon en Gath... Wij hoorden in het avondduister, onder of achter ons, het koorn op de hellingen ruischen en dan was het ons alsof alles wat wij elkaar vertelden weer opnieuw ging gebeuren. O, dat werd een zaligheid!... Een ander maal kampeerden wij vlak bij zee en sliepen tusschen de hooge, grillige rotsen. En eens verhaalde hij mij, zeer schuchter, dat zijn moeder met een engel Gods had gesproken vóór zijn geboorte ...
Simson,... hoe hield hij van de Groote Zee .. als knaap al. Hij kende niets heerlijkers dan te luisteren naar het droeve, zachte golvengeruisch, begoochelend in het nachte-donker. Hij verlangde de fluisterende geheimzinnigheid van den zuidwestenwind te verstaan ... Dagen lang kon hij zwijgen, 's Nachts, aan de zee, sprak hij nooit. Hij leefde met zijn God en de goddelijke verborgenheden en hij zag geen aardsche schepselen meer. Alle geuren van den grond zwelgden wij in, op een bries ons toegezweefd ... In de donkere bosschen 's nachts, voelde ik vrees; zelfs voor het gebalk van wilde ezels en het lachgehuil van wolven. De duisternis dreigde zoo diep om ons heen. Ik zag: