die hij niet kon overmeesteren... Mij biechtte hij •schuw de geheimzinnige aantrekkelijkheid van Astho-reth op zijn zinnen... Nachten vaak bleven wij saam. Vader Manoach liet onversaagden Simson zwerven waarheen hij begeerde, en zijn teedere moeder, die hij na zijn God het heiligst minde, zegende hem -altijd, wanneer hij kwam en wanneer hij vertrok ... Simson nuttigde slechts wat vruchten, brood, en dronk niets dan water. Maar mij bracht hij lekkernijen mee en hij schonk ze met een hunkering naar mijn blijdschap, die hém weer verrukte ... Nooit kon ik Simson iets terugschenken... want hij leefde sober als een spelonken-kluizenaar... sober en kuisch. Al huiverde hij voor onze heilige Asthoreth en noemde :hij zijn begeeren naar haar, een vreeselijke zonde van het vleesch,... tóch bleef hij kuisch en raakte noch maagd noch vrouw aan. In den nacht, onder geblaart' van wilde vijgeboomen, vormgrillig spokend op het gebergte, verhaalden wij malkander van velerlei. Wij wisten alles... en wij vertelden van dingen die wij nooit hadden gezien ... Simson verhaalde van gedrochten in Canaan ... van Refaïeten nabij Hebron, de vreeselijke moordreuzen... en van de gedrochten uit Bazan ... Hij verhaalde van Isaac en Rebecca ... en van vader Abraham ... Hij verhaalde van Mozes, ééns waaksche herder in Midian... van den almachtigen propheet zijns volks, uit Aegypte opgetrokken... Hij vertelde van Jozua en van zijn •oppersten Heer, die met hem sprak in hemelteeke-
Simson. 20