299°
Dan!... Maacha, luister ... ik heb van dezen man, van onzen vijand, al zijn jonge daden, zijn liefde, zijn beschermingsdrift, zijn wondere macht en zijn naïeve, edele eerlijkheid en droefgeestigheid bezongen. Hij heeft ons tot onze mannelijke jeugd altijd beschermd, altijd den zwakke tegen den sterke. Hij was aanvoerder, door zijn kracht; maar nooit dwong hij ons te doen wat wij zelf niet wilden doen. Wij speelden bij scheemring, in de dal-vlakte van Ajalon ... Wij zwierven tusschen de druivenranken van Kirjath-Baal en Beth-Semes, en op het Jearim-gebergte in den avond en op de hellingen van Zoreah en Esthaol, joelden onze stemmen en daverden onze gezangen achter struiken en oranjeboschjes, over de vurige wiegling van anemonen. O, wat een vrome held was Simson reeds als knaap!... Voor niets en voor niemand deinsde hij terug ... Bibberend-verdwaalde lammeren uit kuddetoren of schaapskooi ontrukte hij aan het grimmige roofgeweld van hongerige hyena's. En deze jonge reus nam nooit een wapen ... vocht alleen met zijn vuisten! Ach, wij zijn schaduwen naast zijn heldengestalte en zijn wonderkracht!...
Rapha ademde zwaar. Toen oogenstarend hervatte hij:
— Gij krijgers, kent onze streek, vlak bij Thim-nath... De lente bloeit er zoo wonderlijk en zoo schoon als in de Arabah, in een wolk van geurige myrth ... Maar in alle getijden is het een vreemd en tooverstil oord ... Simson sprak niet veel. Hij peinsde