297°
loom zijn speer weer zakken en hij moest het vrouw-fijne gelaat van Rapha blijven bestaren.
Al de pluimig-gehelmde strijders in de voorste gelederen drongen naar voren; achter hen groepeerden zich boogschutters en lanswerpers en luisterden mee. De jonge krijger zag slechts een wisseling van aangezichten waarop een honger naar het verhaal.
Rapha's stem klonk weer als in het begin, zacht en zangerig, terwijl hij zijn rond schild, metaal-stralend, voor een oogenblik aan zijn bontgevlamden gordelhaak hing:
— Ik heb, mannen, met Simson als jongen veel liefde gedeeld en veel rampspoed ... Ik zeg u ... Simson is een wonderwezen; een goddelijk schepsel zooals er nog nimmer een geboren is onder ons ... Hij is zielsgoed en rein van hart, ondanks al zijn ruwheid en dreunende stikwoede wanneer hij, eenmaal getergd, losbarst... Simson is zacht en van een droomerige teederheid. Wat hij liefheeft, dat bemint hij voor eeuwig... Maar dat, mannen, vermoogt gij niet te zien!...
Donker dreig-gemompel gromde door de gelederen; gele en bronsglanzige krijgerskoppen onder de helmen, riepen met rauwe stem spottende schimpscheuten er tegenin en Maacha wilde weer in onrustgebaar, iïapha beletten te spreken.
Maar Rapha, het fijne gelaat doorstrakt van ongebreidelde wilskracht, kreet:
— Stil... stil makkers ... Ik heb uw woord ...