296°
Rapha's heldonkere oogen gloeiden onder den schit-ter-helm.
— Luister, wreed-machtige Maacha ... 200 min als ik u van mijn dichterschap waagde te spreken, 200 weinig durfde ik u van mijn knapenvriendschap met Simson verhalen ... Want ik weet hoe ons volk hem haat, hoe onze stammen hem verachten. Ik weet ook uit 2ijn latere daden hoe hij óns haat. Doch gij weet Maacha, ik ben niet laf... ik werd door u, machtige aanvoerder, zelfs geprezen!... Ik vecht voor mijn volk en voor mijn land ... Gij zoudt mij niet in uw korps opgenomen hebben ... en ik wil een der eersten zijn, die straks Simson zullen bevechten!...
Maacha hief zijn stootspeer en wou wat tegenwerpen, maar onbeschrijfelijk-koen en fier richtte Rapha zich op en zijn stem scheurde schier van wilde kracht, nu zijn eerlijke en diepe menschelijkheid onbelemmerd losbrak:
— Neen, machtige hoofdman, ik heb uw woord ... gij zoudt mij niet verhinderen te spreken en ik zal nu spreken ... Misschien wel op een vreemd uur ... Want wij allen leven in hoogste spanning... wat de Judaeërs doen zullen en wat Simson doen zal... Doch wij wachten ... wachten ... en er is veel tijd noodig, vóór Simson overmand kan worden ...
Maacha stond roereloos. Hij voelde het edele overwicht van deze zuivere menschenziel, van dien dappere, onverblind ook tegenover den vijand. En hij bedwong zijn angst, drift en verbazing. Maacha liet