295°
die door een onzer den Daniet, met geweld en gedreig ontstolen is... Ja, ik ken Simson uit mijn knde ־ jeugd. Hij was slechts een paar jaar ouder dan ik en wij waren als knaapjes, jarenlang, bijna altijd saam ... O, verwacht van mij geen laster, Maacha... geen rauwen hoon en krenking, al is hij nu onze vijand!... Van mijn knapentijd af heb ik hem niet meer gezien noch gesproken. Want ik was bij u, Maacha, koene verwoester, in oost en zuid, en ik streed met u, bezetene vechter, voor ons volk ... en ik deelde met u krijgsgeluk!...
Rapha ademde zwaar en door zijn stem klonk een droeve innigheid ...
— Maar ik ken ook Simson, Maacha ... een heel anderen Simson dan die uit de adembeklemmende en zwarte vertelsels, hier gedaan door Godolam en anderen ... Ik ben uit het Thimnatha der wijnbergen en wachttorens; uit de stad met de roodtintige wingerden in oogstgetij, hoofdman. En Simson is uit Zoreah, waar vele bronnen ruischen en beken fluisteren en waar de wilde honing geurt... Ik zeg u, wij waren altijd saam... In de valleien tusschen Zoreah, in Esthaol, in Sorek... Vele stemmen riepen straks: ik ... ik ken Simson. Dit waren vijanden van den Hebreeuwer, als mensch!... Anderen riepen: Rapha kent Simson ... en die dit riepen kenden Simson niet... Doch die van hem verhaalden zoo huiveringwekkend en zoo schimpend... die kenden den Hebreeuwer nog minder ..,