294°
laster en zonder beschimping,... zonder haat en valschen afschuw. Eerst durfde ik niet van hem reppen ... Ik vreesde uw hekelenden spot en woede. Ik moest als in gevechtspositie intoomen en wenden. Ik wilde u niet tarten ... en ook begeerde ik de krijgers niet te prikkelen ...
Kwelling en onrust begonnen weer in Maacha's binnenste te jagen. Angst sneed door Maacha's vraag. Korzelig-kort viel hij uit:
— Wat broeit ge toch uit, Rapha?...
Maar nu stoutmoediger ging Rapha, de Philistijn verder:
— Spreek zoo niet, dreigende Maacha — ik heb uw krijgerswoord ... ik vrees nu niets meer ... ook niet u zelf! Ik zeg alles, nu gij bevolen hebt dat ik vertellen zou!...
Hevig bewogen en opgewonden klonk Rapha's opgeheven stem in de rotsvallei:
— Het is waar, hoofdman... het is waar, mannen ... ik ken den Hebreeuwschen Simson uit mijn eerste jeugd ... uit mijn knapentijd,... o onvergetelijke en zoete herinnering!... Ik ken hem beter dan één uwer. Ik zie nog altijd zijn groote, donkere, kinderlijk-verbaasde oogen... Onze stoute hoofdman Maacha heeft den reus Simson nooit gezien. Hij kent hem alleen uit verhalen van her en der ... uit lasterlijke verhalen, uit beschimpingen en goddelooze vervloekingen ... Ja, het is alles waar... ik ben een neef van Sichema... de fiere Philistijnsche vrouw