293°
overal het goudblik van uw handschild gloeien. Ik hoorde uw stem onder het snijdend-schrille paardengehinnik, onder het donderend of dof geratel van oorlogswagens, en ik aanbad u om uw ontzachlijken moed en onvermurwbaarheid ... Gij, reuzen-sterke Maacha, wreede Maacha... vocht met het vlijme Zwaard; gij spande den boog, gij zwaaide de knots, gij wierpt de lans met brandende stoffen aan de piek, onfeilbaar... Gij, Philistijnsche held, streedt tusschen de woeste krijgers met ijzeren helmen... wankelloos ... zonder rug- en borstpantcier ... Gij held, bedwelmde mij met uw doodverachtende koelbloedigheid! ...
Maacha luisterde stil, hevig ontroerd en ook de ruwe krijgers nabij Rapha en Maacha, voelden zich wonderlijk in de ziel gegrepen door de diepe en zangerige stem van den schoonen jongen overste, die ZOO zuiver en vol opklonk in de breede rotsvallei.
Al inniger sprak Rapha:
— Ik mag niet verzwijgen, hoofdman ... ik sprak u nooit van mijn krijgsgezangen, van mijn jeugdleven met Simson ... omdat...
Weer aarzelde Rapha en zweeg. Vreemd-begoocheld staarde Maacha den jongen dichterkrijger aan en traag, niet begrijpend herhaalde hij:
— Omdat...
— O, wreed-machtige Maacha ... vraag mij niets. Gij kent nu mijn jonge daden... Laat mij ononderbroken spreken over Simson den Hebreeuwer, zonder