292°
schuldigen van gebrek aan liefde voor mijn land aan de zee... Ik wil er voor sterven, ieder uur!... Ik vrees geen pijl en geen zwaard, geen ijzeren knotsbijl en geen wondenden slingersteen... Ik vocht, dappere hoofdman, ondanks mijn jeugd, in woeste oorden aan uw zijde, onder aanvals-geklank van trompetten, in vreugdegenot... Ik vocht onder uw koen en machtig beleid... Ik vocht met u in het Noorden, in stormaanval, onder plundering en overrompeling der troepen. Ik vocht met u in het Westen, tegen de opdringende kustvolkeren en in het Oosten... en ik wil ook nu met u vechten tegen Judaeërs, tegen Danieten en tegen Simson... Ik kende al jong, krijgstucht en onderworpenheid der legertroepen aan de stem der oversten ... Het wilde rumoer van strijdwagens, met het wreede glanzen hunner scherpe zijvleugels, het snuivend gebriesch der dolle rossen, het stuivend gedaver der paardenhoeven bracht altijd in mijn bloed een verwoestend verlangen naar held-haftigen krijg. Als jong, neerknielend lanswerper, schuchter, ingetogen, hoorde ik reeds achter mij de boogschutters-pijlen suizen en gillend snerpen door de lucht. Ik wierd ruw opgestooten naar onneembare vestingschansen, later ... Ik besteeg slingerende wagenladders en besprong schiettorens met zware werp-haken en stootbalken, bij belegeringen, en ik wist, vermetele Maacha, u overal achter en naast en voor mij, tusschen de giftige steekpieken en tusschen de houwende zwaarden en trillende pijlen... Ik zag