291°
dweepoogen van den dichter-krijger en schuchter-ontroerd begon Rapha te spreken:
— O Maacha uit Jamniël, ontembare,... heilig-wreede Maacha,... nu geloof ik u en wil ik mijn verhalen doen zoolang wij verbeiden den verwoester uit Zoreah!... Ik zal al mijn schroom en aarzeling afleggen...
Maacha bleef uiterlijk roereloos, zuilvast en reuzegroot in zijn koperen rusting, — die als goud brandde tot zijn goudfonkelende scheenplaten, — doch door zijn binnenste ging een geluksschok. Neen, Rapha was geen overlooper!... Strak keek hij op naar de aetherische hemelklaarte boven het gebergte en naar het geklauter der verre legertroepen.
— U, dapperen hoofdman, heb ik mijn geringe doch oprechte daden ... mijn krijgsdaden en menschelijke handelingen, in onopgesmukte eerlijkheid getoond ...
Maacha glimlachte verteederd en zei heel zacht:
— Maar nooit van uw dichterschap gerept!...
De donkere dweepoogen van Rapha lichtten onrustig.
— Daarvan kan ik-zélf niet spreken ...
Zware stilte suisde. Gedempt trompetgeschetter klonk weer uit de verte. Verlegen keek de Philistijn naar de leeuwtjes op zijn schild van staal, er fijn-scherp ingesneden.
— IJ, vermetele Maacha... met wien ik gekampeerd heb op bergen, op duizelingwekkende hoogvlakten en in donkere dalen.,. u zult mij niet be