289°
Beklemder herhaalde Maacha:
— Waarom verstart gij in uw zwijgen? ...
Stilte in de vallei suisde rond de kamptenten.
Maacha hief zijn gifspeer en richtte ze koelzinnig
op Rapha's borst, terwijl Godolam bijsprong met houwzwaard en knotsbijl en de opper-boogschutter zijn pees spande. Maacha donderde nu tot razernij geprikkeld:
— Moet ik u dan bevelen te spreken, Rapha? ... Vertel mij en mijn mannen alles van Israël's gluiperige wapening in spelonken, tegen verbod der Philistijnen in. En vertel ons van Simson vooral... ja, ja... van hem ... van hem vooral!... Van zijn wraak-strooptochten vooral,... opdat officier en gemeen soldaat hooren!... Vertel, gij neef van Sichema, man van Thimnatha!...
Rapha hardnekkiglijk bleef zwijgen.
Een zacht geritsel trilde er van zijn purperglanzigen wapenrok naar zijn stalen schild. Zijn handen en beenen beefden zichtbaar.
Maacha verbleekte; door zijn gezicht schootwreede gram en hij donderde dreigender:
— Rapha, hoofdman over duizend,... moet ik u eigenhandig mijn spies het lichaam instooten of afranselen met een glinsterend paardentuig? ...
Van verre, op heuvelen en bergen klonken krijgs-hoornen en trompetten, gedempt. Rapha, roereloos opgericht, rank, bleef zwijgen, de blinkende werpspeer de vuist ingekneld. Zijn duistere dweepoogen over-