288°
oogen, donkerder nog onder den gepolijst-koperen schitterhelm-in-zon. Verwonderd vroeg hij:
— Hoe Rapha? ... Stelt gij voorwaarden? ... Gij?...
Rapha boog. Over zijn teeder-vrouwelijk, brons-donker gezicht trilde een plotselinge krachtbezieling. Bedeesd, toch innerlijk-sterk verklaarde de Philistijn:
— Machtige hoofdman,... machtigste tusschen ons, krijgslieden en ons, vermetel volk,... als ik spreken moét, dan wil ik vrij zijn ... Noch gij, noch uw heet-driftige krijgers, de gekromde-dolk-dragers en de zwaardhouwers uit de voorste gelederen, mogen mij hinderen. Ook gij, wreed-dappere Maacha, ook gij, gewelddadige... moét kunnen verdragen dat...
Weer onderbrak Maacha hem heftig en in koortsige opgewondenheid zwaaide hij zijn stootspeer. Maacha brulde onbeheerscht:
— Bij Asthoreth... bij Baal-Zebub,... gij Rapha ... zult toch dien gehaten Hebreeuwer... dien beheksten roover uit Machane-Dan niet bijvallen? ... Gij zult hem toch geen vuurseinen geven op de bergtoppen, om hem te hoeden voor gevaar? ...
Maacha onderbrak zichzelf, toen hij het teedere gelaat van Rapha in wilde verbijstering zag verwringen.
— Waarom kijkt gij zoo ontzet, Rapha? ...
De jonge Philistijn zweeg. Alleen de donkere, diepe dweepoogen brandden heller onder den gloeienden helmrand.