287°
terwijl boven de krijgershoofden, op schaduwlooze bergsteilten en geelnaakte hellingen, ver-vaag rumoer van paarden en wagenen rommelde en wapenen weerlichtten met kwikzilverglans. De zonnehemel, verblindend, schoot al vroeg vuur en zenghitte neer.
VI
Heel stil werd het in Maacha's oproerige bevelhebbers-binnenste, terwijl een vreemde droefnis hem overmande. Een schrikgedachte benauwde, kwelde zijn hersenen en zijn verward-afgedoold denken:... zou de schoone woestijn-krijger, de koene allesdurver uit Thimnatha, zou Rapha een afvallige worden? ... De bazuinen klonken plots zoo onheilspellend in de hooge zonneruimte en de mannen achter de staande schilden beloerden Rapha in valsche bewondering.
Angstig keek Maacha op naar kaal-gezengde rotsterrassen en naar zandgeel brokkelsteen van oostelijke bergafgronden, waartegen oorlogstuig fel-speelsch glinsterde. Zeer zacht klonk Maacha's verzoek:
— Spreek Rapha.
De jonge, ranke Philistijn herbegon haperend, terwijl de blinkspeer beefde in zijn hand en de plooien van zijn korten wapenrok kreukten.
— O dappere, wreede en sterke Maacha, ik wil wel... ik wil wel spreken hoofdman, hier, in deze ontzachlijke ruimte ... maar ...
Maacha keek uitvorschend en angstig naar Rapha's