283°
binnenste, heimelijk zulk een onuitsprekelijke bewondering voelde prangen. Er reutelde angst in hoofdman's bijgeloovige hart, voor heel de spookachtige en bovenmenschelijke kracht van dezen Simson uit Zoreah, Een iegelijk in Philistaea, in west- en oost-Jordaanland, kwam in koortsige opgewondenheid er over vertellen, en toch betwijfelde Maacha al dien verwoestenden en plunderenden heldenmoed van één schepsel, van één mensch die goudstof uit Aethio-pië en balsem uit Arabië bespuwde en verachtte.
Eindelijk dan zouden onder zijn bevelvoering, de Philistijnen oprukken tegen de Judaeërs of tegen den Daniet; tegen het oerschrikkelijk krachtgewrocht dat zoo vroom bad. Doch weer vroeg hij zijn mannen, verzonken, en gegrepen door hem zelf tergend-onverklaarbare, benauwende gedachten:
— Zijn er nog anderen onder u, die met Simson den Daniet saamzwierven? ...
De eenige die den Hebreeuwer het beste kende van al Maacha's krijgers, was de koene Rapha, stout aanvoerder over duizend. Maar deze zweeg. Toen, in onstuimige roerigheid en onder wild-twistenden stemmenklank, wierd naar den zeer schoonen jongen Philistijn Rapha gewezen, die rank, in kniekorten, purperglanzigen wapenrok, waaroverheen de bontgetooide krijgsgordel van bevelhebber over duizend pronkte, fier overeind stond, de blinkende werpspeer in den rechterknuist, het rond-stalen schild in de linkerhand geklemd. Onder zijn hoogen, koper-