282°
Wat de Philistijnsche krijger vertelde is waar, hoofdman ... Simson's adem is rood als damp en zijn oogen zijn boosaardige, valsche wolvenoogen.... en zijn drift is schrikkelijk tegen de onbesnedenen ... Zijn tooverkrachtige oogen fonkelen in het duister wreed en het licht erin kruipt als vlammen op een mes ... Hij viel op het onverwachts in krampen en stuipen, als een dol dier, en dan brulde hij tot zijn heer Jehovah, den hoogsten bloedwreker van Israël... Maar toch bleef Simson's kracht een dwalend geheim... bezwoer hij zout en water ... Waar hij kwam brak en bonsde alles tegen elkaar op ... schond hij het weder-vergeldings-recht... Soms deed deze lafhartige niets dan schreien en soms sprak hij met een stem als van een zaag die schurend heetloopt en snerpend gilt in droog, hard hout...
V
Een vreemde drang, een beklemmende verwarring overrompelde den Philistijnschen hoofdman Maa-cha, in wiens aderen nog Gethietisch bloed van oorlogzuchtige voorvaderen gistte. Ook hij kon in een vlaag zijn afstamming zich bewust worden en dan hunkeren naar het beschermende geruisch der vier zinnebeeldige cherub-vleugelen van het volk Jehovah! Al meer en meer begeerde Maacha, verborgen en onverborgen daden van dien schrikkelijken Hebreeu-wer te kennen, van dien ontembaren waaghals uit Dan, voor wien hij in zijn onverleugend krijgers-