28 O
krachten die hem hielpen in het gevecht en de dalen bezet hielden ... En bijna altijd bad de Daniet, onverstaanbaar ... met schrikoogen alsof hij gedaanten bestaarde ...
— Altijd? ...
— Ja hoofdman ... telkens ... en dan huilde de tuchtiger en dan snikte hij... riep hij den Alwetende, het hoogste Wezen aan en prevelde hij zijn moeder's naam...
— Wat deed hij 's nachts? ...
— Niets dan spreken met Jozua, Othniël, Deborah en Gideon... en de aarde plattrappen als onze wagenruiterij... Niets dan spreken met afgestorvenen uit het Jordaandal... met krijgers van vroeger ... en hij aanschouwde ze, hoofdman!... Zijn vreeselijke wurghrnden deden alsof zt kno׳:sbijlen en zwaarden zwaaiden boven het woeste, van manen-omfladderde hoofd ... Dan plotseling greep hij naar zijn gemeste keel, waaromheen een granaatappel-snoer strak sneed als een striem bloed, rood als de rand van een afgehouwen hoofd. Dan greep de man Gods naar den opgezwollen hals... De uitverkorene snikte en huilde en lachte tegelijk;... hij lachte ijselijk, gek ... en hij sprak met ze als ik nu met u... En zijn vreeselijke kracht wierd bovenmenschelijk ... Alles wat hem naderde greep hij, dol van gram, vast; bezwoer hij met fluisterstem en dan bleef schepsel, mensch of beest, in een verstijving verlamd, na zijn greep en na zijn blik uit oogen vol macht en tooverij... Waar