274°
en zwaaide blauwe bliksems van zijn zwaard-lemmet:
— Ik, hoofdman ... ik ... ik, die Simson's levend vleesch kan verzwelgen ... ik die hem haat... dien Hebreeuwer... dien moordenaar en verminker, zooals niemand hem haat,... ik, die hem wimper voor wimper kan uitrukken ...
Ook de krijger Hinom, met roodlederen ringhemd, stootte zijn ijzeren helm plots dieper op het zweetende hoofd en schreeuwde opgewonden:
— Ik, hoofdman ... ik heb het langst met dien Hebreeuwer-wreker saamgezworven, toen de krijgskans keerde ... Ik was boodschapper...
Op een speerwenk van den hoofdman, trad hij voor de troepen. Kwaadaardiger klonk Maacha's stem:
— Wat hebt gij gezien ... of was het je Aegyptische bijl die zag? —
— O gruwelijk ... gruwelijk, hoofdman ...
Dreigender tetterden de oorlogstrompetten, ook
uit ravijnen en valleien, en al wraakgieriger laaide de haatstemming tegen Simson onder de krijgers van het hoofdkwartier óp.
Abnaï, zijn gevest in moorddrift omklauwd, drong opnieuw wanhopend naar voren:
— Mag ik ook vertellen, aanvoerder?...
Als waarschuwing zwaaide weer snorrend een strijdhamer langs zijn ooren en in hevigen schrik kromp Abnaï saam en dook terug achter een gespalkpantser-den officier.
Godolam bukte en staarde toen weer in ontzetting