273°
— Ik heb het zelf gezien, spieseniers ... met mijn eigene oogen.., Soms tweemaal per dag wierd Simson uitzinnig gegrepen door daemonen en veranderde hij gansch-en-al van gedaante ... Dan kromp de wanstaltige reus ineen, klein als een dwerg, en bibberde hij van hitte en koude. En dan sprak hij als in ijlende koorts van bloedschuld, en geleek hij een dier, een monsterbeest, een duivel die in hem gevaren was. Dan bleef niets van zijn razende wezen en van zijn geheimzinnige levenskracht verborgen. Dan gilde hij dat hij ergens in de hoogte dien helsch-grooten vogel op hem zag aansturen... zwart, zwart, en van vuur de vlerken;... een vogel die zijn aangezicht wou schenden en zijn oogenlicht wou rooven... Simson bracht zoenoffer op zoenoffer, en hij besmette en bezwoer alles om zich heen met zijn brandende lusten. Soms beefde hij in vrees voor een nietig, ritselend geluid. Hij was zoo schrikachtig als een kind in het donker ... en toch begeerde de roekelooze altijd bloed te storten van levende schepselen... Dat was zijn zoele wijn!...
Barsch vroeg Maacha zijn mannen:
—Wie uwer, in zijn jeugd, kende Simson als knaap?...
Stemmen die opsprongen als val-druppelen op een stalen plaat, zoo klonken ze uit de gelederen:
— Ik!
— Ik!...
— Ik ... heel goed!...
Abnaï gierde met woedende blafstem in drift los