263
naar den meedoogenloos-straffenden hoofdman, terwijl de zwaanwitte veerenbos wiegelde boven zijn gloeiend-lichten helm, waarop de Astarte-beeltenis schuin te dansen stond.
Weer vroeg hoofdman den krijger Hinom allerstrengst:
— Wat weet gij? ...
— Ik zelf heb meegevochten in de slagordenen van Israël... als huurling... onder de voetknechten, die vochten achter bespijkerde schilden ... O Maa-cha... de Hebreeuwers beven voor paarden en voor onze schrikwekkende ijzeren renwagenen en voor het splitsen onzer ruiterij over al de vleugels. Ik weet het, hoofdman, van mijne vaderen en van mijn eigen oogen als heimelijk verspieder ... Jozua zelfs, zonder beschimping, liet het altaar reinigen en bloed rond-sprenkelen, en ging alleen rond op een ezeltje langs de loeiende bazuinen der priesteren ... Er zijn veel voetknechten onder tuchteloos Israël, als zij op-marcheeren...
Barsch-boos donderde de Hoofdman:
waant gij mij zulk een nieuweling, dat ik niet weet wat er gebeurt onder Jehovah's roofstammen? .. ״ Vocht ik niet in de vallei Berachah, met slachtcikkels, en roofde ik niet onder de herders van Tekoah, tus-schen hun tenten, terwijl zij nog wel balkten dat hun God hen bijstond met hulptroepen? ...
De krijger beefde en aarzelend klonk zijn stem toen hij zei: