269°
in-rood-ringhemd schrok en week achteruit, bijna vermorzeld.
De cpperhoofdman donderde dreigend:
— Zwijgt allen!... Laat Godolam spreken!... Hij uit Gath, kent de vijandelijke Hebreeuwers en Simson's verdelgende plunderingen beter dan wij .. .
IV
Godolam, de tooverij -vreezende krijger wachtte ontdaan eenige tellen, liet de veeren ruischen boven zijn hoofd en keek schuin-scheel naar de dansende Asthoreth, dansende voorover op zijn helmpiek. Toen sprak hij weer in angstig-beklemmende woorden:
— Simson's kracht, o koene Philistijnen, is duivelen-kracht... Het vel van zijn verbrijzelvuist is gespannen door duivelen. Hij is behekst.. . dat weten óók de stammen van Israël... Maar hij zeifis machteloos!... Hij beeft en verbleekt in afgrijnzen, voor het oorlogsrumoer onzer donderende strijdkarren en de ratelende wielen. Hij jammert onder onze martelingen op krijgsgevangenen ... Met een gevlochten lederen schild is hij neer te drukken en kunt gij het gelaat van dien vrijbuiter voor eeuwig smadelijk schenden en verminken ... Wij, aldappere Philistijnen, soldeniers en ruiters, zijn nog nimmer door eenig volk van Canaan geslagen. Wij joegen kustnomaden en binnenlanders tot elkaar-overtuimelende vlucht op, als overwinnaars ... Wij zijn als de boog en de pijl...
Simson. 18