263
schild óp en boog voor den bevelvoerder nederig ter aarde. Toen in een dartelen sprong keerde hij zich, rank-in-zijn-kuras, met een lichtzwaai van zijn ge-olieden beukelaar, naar de manschappen toe:
— Ik, mannen van het Westen... dappere Phi-listijnsche stootspeervechters en veroveraars van de zeekust... ik heb Simson in bezetenheid, gek van vrees en lafhartig gezien, al van zijn jeugd af, voor onze goden die hij als drekdwergen beschimpte ... Ik heb de borstwratten op zijn naakte lijf zien bloeden ....
Abnaï, een fel-dwepend lager-rangs-officier, Hebreeuwen-hater, riep in kleinachting mee, terwijl hij zijn krijgsmantel uitzwierde als een vampier zijn vliegscherm, en het blauwe lemmet van zijn zwaard in de zon fel flikkerde:
— Ook ik!... Simson, krijgsrichter uit het heldenras, huiverde voor vrouwen en voor wijn ... met al zijn reuzenkracht!...
Hinom, een krijger in rood-lederen ringhemd, met zwaar-ijzeren helm laag op het zweetend kroes-hoofd geperst, kreet terwijl hij zijn metalen riemgesp driftig loshaakte, nog scheller dan Abnaï:
— Ook ik!.... Ook ik!...
Trompetgeschetter onder het voetvolk, klonk hoog
van heuvelen en van verste troepen tusschen rotsen gelegerd, nabij wagenrijders. Op een wenk van den opperhoofdman zwaaide suizend een geweldige strijdhamer flikkerend langs Hinom's ooren. Krijger-