257°
Een boogtorser brulde:
— De Hebreeuwer offert alle booze en ijselijke machten!..
Tot een onversaagden, jongen strijder, Godolam, wendde de hoofdman zich, wreed-behagelijk grijns-. lachend.
Godolam's gloeiend-lichtende helm praalde met een wijd-warrigen, zwaanwitten veerenbos, wiegelend tot ver over den geharnasten rug op den losgeplooiden wapenrok. Op de helmpunt danste schuin, alsof ze voorover viel, een Astarte-beeltenis. Godolam's heele boven-borstpantcier, van gepolijst-stalen ringen bijeen-gesnoerd, brandde licht en glans om hem heen en zette den krijger bij iedere beweging, tusschen zeisen en zigzags van bliksems. Zijn armen, tot de schouders naakt, leken zelve van donker brons en hij vocht altijd met een koperen lans en een zwaar-geölied schild.
De hoofdman bracht een vreemde verteedering in de grimmige stem, toen hij beval:
— Spreek, gij schrandere Godolam, wreed temmer van krijgsgevangenen, ... spreek tot uw mannen, van al die Hebreeuwsche schapenfokkers ... Vertel wat gij gezien hebt van den gruwelmensch-in-gevaar, van dien roover uit de stamme Dan, die ons met zijn opgeblazen heldenmoed, in zijn eentje, zonder kling, Zonder boog of slinger, den heiligen oorlog waagt te verklaren ...
Godolam hief over-eerbiedig de handen-met-dek-