264°
plots te verstillen, achter de hollende en stuivende wagen-paarden.
II
In de breedste rotsvallei verscheen de opperaan-voerder Maacha uit Jamniël, befaamd invaller en koen guerilla-strooptochten-leider, vóór zijn hoogere en lagere officieren en manschappen van het Philistijn-sche hoofdkwartier der vier voorhoede-vleugels. Hij dook zijn legertent uit, reuzegroot als een van het Nephilim-geslacht, met uitgetrokken tweesnedig slagzwaard dat hij telkens woest wendde en waarvan het lemmet scherp bliksemde in zonneschijn. Ruiterij-paarden, door het blindend flitsen schrikten en hinnikten en last-kameelen, de groote oogen plots vol vurig licht, angstiglijk brulden.
Van nek en schouders tot heupen in een koperen schubben-pantcier gekneld, met goud-blinkenden gordel de lendenen omsnoerd, verrees hij, ontzachlijk, de donker-dolle oogen dreigend gericht op luisterende krijgers en huurlingen met vilten helmen, die hun naakte buiken, hun navelen en flikkerende scheen-platen bestaarden als in dwang-hypnose. Donderend kreet de geharnaste en hoog-gehelmde krijgsoverste:
— Bij Dagon, den hemelbeheerscher, den godde-lijken voorspeller en hoogsten wichelaar,... kent gij, Philistijnsche krijgers uit het staande leger, Simson, den harige, lijfelijk van aanzien? ...