263°
grondwanden, langs diepe ravijnen en tusschen steil-smalle rotskloven.
Popelend wierd gewacht op het openingsbevel der gelederen van oversten over honderd en duizend, om tegen de Judaeërs op te trekken met vendel, vlag en standaard; om gulzig oorlogsbuit en krijgsgevangenen mee te sleepen. Naar alle windstreken op heuvelen en kammen, stonden gehelmde wachters uit te staren in de richting van Etham, van woestijn en rotsen, naar boodschappers, en telkens wisselden zij hoog in de gouden luchten, klaroenklanken, bazuinen trompetsignalen die als zangvlagen den morgen overgalmden. Naar den kant van het Judaeïsche gebergte groepeerden in krijgsorde onstuimiglijk, drommen soldaten, vrijwilligers, Amalekietische en Syrische en Sidonische huurlingen bijeen, allen met de speerpunten vooruit. De spiesspitsen tezaam fonkelden als een muur van dansende vlammen in het vroege zonnelicht. In de diepte woelde, slangachtig rij aan rij, kortgerokt voetvolk met gevlecht-werkt, en lederen schilden, gepantcierde boogschieters, peesnaakte slingeraars en gigantische zwaardvechters die de rotspaden, al steiler en hachelijker, al moeizamer beklauterden. Op tusschen-gelegen vallei-vlakten manoeuvreerden in wolken goud-beschenen stof, tusschen lage heuvlen, de veerloos-schokkende en zwaaiende strijdkarren op dubbelen disselboom, wier ijzeren wielen over steenen en rotsgrond in log geweld knarsten en ratelden, om in het zand