VIJFTIENDE HOOFDSTUK
I
De woest-krijgszuchtige en verdelgende Philistijnen legerden met een weemlend getal geroepen mannen, onder zwatelend oorlogsgerucht, op heuvelen en hellingen, in onvruchtbare ravijnen, tusschen steile berg-afgronden en op vlak vallei-land van Ramath-Lechi.
De morgenzon ontnevelde de aarde uit gouden misten. In het Philistijnsche kamp stelden zich lichten zwaar-gewapende soldeniers achter stofwolkerige ruiterij en laagwielige wagenen, als vaste strijdkrachten, in troepen-slagordenen langs opkronkelende voetpaden naar het gebergte toe. Alvormige geoliede of gezalfde schilden blonken en spiegelden hel tegen malkander in; koper in koper, staal in staal, van helmen en vizieren. Vanuit laagten en op hoogten flikkerden overal gewette speren en werp-lansen, strijdhamers, Zwaarden en verdelgende, bronzen knotsbijlen, aan den kop omzet met scherp-gepunte, ijzeren pieken.
Boven Ramath-Lechi straalde een goudglanzige morgen over gekanteelde berghellingen, tegen af-